Aanpassing van de rijstructuur heeft geen gevolgen voor de productie en de energiebehoefte van een tomatengewas. Dat blijkt uit onderzoek door Wageningen UR Glastuinbouw. De onderzoekers vergeleken gedurende een heel teeltseizoen de traditionele manier van tussenplanten met zogenaamd ‘per goot of ‘per pad’ tussenplanten. Het onderzoek is gefinancierd door het Productschap Tuinbouw en het ministerie van LNV in opdracht van het programma Kas als Energiebron.
De proef is uitgevoerd bij het Improvement Centre in Bleiswijk van begin oktober 2006 tot eind oktober 2007 met geënte tomatenplanten. De proef werd opgezet als drie achtereenvolgende teelten. De eerste teelt diende om het systeem op te starten en in de twee volgende teelten zijn drie varianten van tussenplanten toegepast die resulteerden in verschillende rijstructuren. Er zijn metingen zijn verricht aan bladhoek, lichtonderschepping, fotosynthese, stomataire geleidbaarheid en verdamping. Ook zijn er twee substraattypes (kokos of steenwol) vergeleken.
Opbrengst gelijk, arbeidsbehoefte niet
Uit de resultaten van deze proef is niet duidelijk te concluderen of één van de drie rijstructuren beter is dan de andere twee. De productie tot en met week 42 was bij alle drie de systemen gelijk en ook het substraattype bleek daarop geen effect te hebben. De arbeidsbehoefte is wel verschillend tussen de behandelingen. Traditioneel tussenplanten vraagt meer arbeid tijdens tussenplanten en daarna voor aanbinden en indraaien, omdat dit moet gebeuren tussen de oude planten in. Bij de twee alternatieve methodes is dit veel eenvoudiger en is er in deze periode minder arbeid nodig, omdat een heel pad of hele goot tegelijk verwijderd wordt. Tussenplanten per goot vereist meer arbeid dan tussenplanten per pad omdat er meer heen en weer gereden moet worden in het pad.
De onderzoekers concluderen dat een wijziging van de manier van tussenplanten niet kan bijdragen aan energiebesparing in de tomatenteelt.